In 1936 ondernemen drie Nederlanders een expeditie. Jean Jacques Dozy, Anton Colijn en Frits Wissel bereiken in dat jaar als eersten ‘de eeuwige sneeuw van tropisch Nederland’ ofwel de toppen van het Carstenszgebergte in het toenmalige Nederlands Nieuw-Guinea. Dozy was als geoloog in dienst van Shell. Hij vertelde in 2003 over zijn ontdekkingsreis:
‘De grote motor achter de expeditie was Anton Colijn, de zoon van premier Hendrik Colijn, die kapitein in het Oost-Indisch leger was geweest en een belangrijke rol gespeeld heeft bij de vroege onderzoekingen van Nieuw-Guinea. Anton was directeur van de Nederlandsche Nieuw-Guinea Petroleum Maatschappij, de NNGPM, een samenwerkingsverband van Shell, Esso en Caltex. In 1935 kreeg die maatschappij een exploratieconcessie (= toestemming voor het zoeken naar delfstoffen) van 10 miljoen hectare voor de vlakte ten zuiden van het Carstenszmassief. Van sommige delen van Nieuw Guinea bestonden al kaarten. Zo herinner ik me een kaart van Vogelkop met daarop een kruisje, waarbij geschreven stond: ‘Hier werd een belastingambtenaar opgegeten’. Je had toen nog antropofagen, menseneters. In de gevangenis droegen zij een rode lendendoek, de gewone misdrijvers hadden een bruine.’
‘Omdat er van het nieuwe concessiegebied geen kaarten bestonden, besloot men het dekkend vanuit de lucht te gaan fotograferen. Dat moest gebeuren met een Sikorsky-amfibievliegtuig dat kon landen op meren en rivieren.
In 1936 kwam dat toestel per boot aan. De Sikorsky moest foto’s gaan maken van 4.000 meter hoogte, maar was een verdomd trage klimmer. Om uit te proberen of hij voldoende hoog kon komen, maakte Colijn met de piloot een zogenaamde plafondvlucht. Toen ze boven de wolken kwamen, zagen ze de Carstensztoppen. Colijn wilde daar meteen heenvliegen. Men had altijd vanuit het zuiden en noorden tegen de besneeuwde flanken aangekeken en gedacht dat het om één bergmassief ging. Colijn ontdekte dat er nog een hele bergwereld tussenin lag met twee gletsjers en twee dalen. Ze zagen toen ook de Carstenszweide. Toen Colijn dit aanschouwd had, wist hij waar hij heen wilde. Want hij was een fanatiek alpinist.’
Dozy deed tijdens het klimmen een ontdekking die tot op vandaag het gebied heeft veranderd:
Bij het klimmen zag ik een zwarte muur met groene en blauwe vlekken. Als geoloog weet je dan dat er kopererts zit, zeker als je daarna keien stukslaat en daar chalcopyriet in aantreft. De twee vreemde bergen bij de Carstenszweide, die ik toen Ertsberg (ook wel: Koperberg) en Grasberg genoemd heb, bleken enorme koperertsconcentraties te zijn.
Het Carstenszmassief bestaat uit kalksteen. In de laatste fase van de plooiing heeft zich vloeibaar magma naar boven gedrongen dat reageerde met de gesteenten. Tijdens de afkoeling zijn de mineralen uitgekristalliseerd en zijn er dikke ertsafzettingen ontstaan. Die zijn later bloot gelegd, onder andere door gletsjers. Ik verwachtte toen niet dat ze ooit ontgonnen zouden worden, omdat ze honderd kilometer uit de kust lagen en op 3.800 meter hoogte.
Nu ligt er een van de grootste goud/kopermijnen ter wereld. De Ertsberg is al helemaal afgegraven en veranderd in een diep gat; de Grasberg is deels afgegraven en is een van de grootste goud/koperreserves ter wereld. Boven wordt het erts vermalen; vermengd met water wordt het daarna als slurry door een pijpleiding naar de kust vervoerd en geëxporteerd.’
Dozy ontdekte de op één na grootste koper- en goudmijn ter wereld. De goudmijn is de grootste ter wereld, de kopermijn de op twee na grootste.
Nederlands Nieuw-Guinea werd later Papua Nieuw-Guinea en toen het in handen van Indonesië overging, werd het gebied Irian Jaya genoemd. In 1967 sluit de Indonesische regering een contract met het Amerikaanse bedrijf Freeport. Dit bedrijf krijg toestemming om de Koperberg te exploiteren. De contracten breiden zich snel uit. Nu beheert Freeport 2,5 miljoen hectare, een gebied zo groot als België. Er werken 18.000 mensen en in het gebied liggen drie hypermoderne, luxueuze mijnwerkersdorpjes. De koper- en goudmijn is de grootste inkomstenbron van de Indonesische regering: zo'n 10% van alle belastingopbrengsten komen van Freeport.
Het succes heeft echter ook een schaduwzijde. Freeport is ook een van de grootste milieuvervuilers van de wereld. De Grasberg en Ertsberg liggen in een uniek tropisch oerbos, vlakbij het Lorentz Natuur Park. Het goud wordt onder andere met cyanide en kwik gedolven. Deze giftige stoffen, 200 duizend ton per dag (evenveel als heel Nederland per dag aan afval produceert), worden direct in de Ajkwa-rivier gedumpt, samen met goud- en koperhoudend restafval. Het percentage schadelijke metalen in de rivier (waaronder arsenicum en kwik) ligt 1500 keer hoger dan volgens richtlijnen van de Verenigde Naties is toegestaan. De Ajkwa-rivier is een dode rivier: je vindt er geen vissen of andere dieren meer. Ook een brede strook van zo'n 10 kilometer naast de rivier is door overstromingen zo ernstig vervuild dat er niets meer wil groeien. De chemicaliën in de rivier komen uiteindelijk terecht in de Arafoera-zee tussen Irian Jaya en Australië.
Het mijnafval (het zogenoemde 'acid rock' = giftige stenen) wordt in de omgeving gestort (vier miljard ton!), in een aparte mijnvallei en beslaat een gebied van 883 hectare.
De goud- en koperwinning hebben ook het landschap onherstelbaar veranderd. De Grasberg was ooit een berg, maar is nu 120 meter kleiner geworden door de afgravingen. Op de top ligt een doods en diep meer van 2,5 vierkante kilometer waar verder niets mee te beginnen valt.
De Grasberg is heilig voor de oorspronkelijke bewoners, de Papua's. Zij zijn vreemden in eigen land geworden. Grote delen van Irian Jaya zijn voor hen verboden terrein. Sommigen moeten zelfs aan de Indonesische militairen die Freeport bewaken toestemming vragen om naar hun eigen tuin te mogen lopen. Water dat ze voorheen uit putten en rivieren haalden, is ondrinkbaar geworden. De bevolking is aangewezen op duur, geïmporteerd water uit flessen. De mijn biedt hen zelfs geen werkgelegenheid. Op enkele tientallen Papu's na zijn alle 18.000 werknemers uit Amerika of elders in Indonesië afkomstig.
De oorspronkelijke bevolking ondervindt kortom wel de nadelen, maar niet de voordelen van de goud- en koperwinning in hun gebied.
De huidige top van de Grasberg