wtoBijna alle landen van de wereld zijn aangesloten bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de organisatie die garant staat voor vrije internationale handel. Iedere boer en iedere fabrikant waar ook ter wereld heeft de kans om zijn eigen producten aan te prijzen en in een eerlijke concurrentie te verkopen. Op papier lijkt het allemaal goed en eerlijk geregeld te zijn.

De praktijk is helaas anders. We zetten enkele oneerlijke praktijken op een rij.

1) De economieën van niet-geïndustrialiseerde landen drijven veelal op handelsgewassen (koffie, cacao, thee, tabak) en delfstoffen (ijzererts, bauxiet, tin). In veel ontwikkelingslanden is de economie van één gewas of delfstof afhankelijk (= monocultuur) en afhankelijk van de wereldprijs. Bij een mislukte oogst of als de wereldprijs keldert is het land in problemen. Ontwikkelingslanden hebben doorgaans geen financiële buffers om deze schommelingen te kunnen opvangen.

Helaas hebben niet-geïndustrialiseerde landen weinig invloed op de (wereld)prijzen voor hun gewassen en delfstoffen. Het is een beetje kort door de bocht, maar ruwweg zou je kunnen stellen: ontwikkelingslanden moeten hun grond- en delfstoffen goedkoop verkopen en moeten de eindproducten van geïndustrialiseerde landen duur inkopen.


2) Europese boeren ontvangen jaarlijkse miljarden euro's subsidies van de Europese Unie, waardoor hun producten goedkoper zijn dan van hun Afrikaanse collega's. Professor van Houtum van de Radboud Universiteit zegt in een krantenartikel: "Afschaffing van Europese landbouwsubsidies zou meer betekenen voor arme landen dan welke (ontwikkelings)hulp dan ook." 
De econome Dambisa Moyo schat dat door handelsbarrières (voornamelijk landbouwsubsidies voor Europese boeren) Afrika jaarlijks 500 miljard dollar inkomsten misloopt.

boeren

3) Ondanks afspraken over vrije handel ontstaan er regelmatig zogenaamde handelsoorlogen tussen landen. Dat kunnen we het beste uitleggen aan de hand van een concreet voorbeeld. Amerika vindt dat China veel meer producten exporteert naar Amerika dan omgekeerd. Om het verschil tussen export en import recht te trekken, stelt Amerika extra heffingen op waardoor Chinese producten in Amerika duurder worden. China op zijn beurt verhoogt de prijzen van producten die Amerika exporteert. Over en weer stijgen de prijzen en is er een handelsoorlog ontstaan. Die heffingen worden weer opgeheven of verlaagd als de twee grootmachten nieuwe afspraken maken.

Veel ontwikkelingslanden kunnen niet tegen economische grootmachten als de VS, China en de EU op en zijn gedwongen om oneerlijke concurrentiepraktijken te slikken. 

4) Het beleid van multinationals pakt vaak ongunstig voor ontwikkelingslanden uit. Ieder land wil graag een multinational binnen zijn eigen grenzen hebben omwille van de vele banen, maar de keuze uit vestigingsplaatsen is groot. Ontwikkelingslanden bieden vaak lage lonen en belastingvoordelen aan om zo'n internationaal bedrijf over de streep te trekken naar hun land te komen. Vallen de lage kosten en belastingvoordelen weg, dan stapt zo'n bedrijf over naar een ander land waar het de productie nog wel goedkoop is. Zo worden de meeste Apple-producten (iMac, iPhone, iPad) in China geproduceerd omdat de productiekosten daar goedkoper zijn dan in Amerika, waar het bedrijf begonnen is. De transportkosten zijn tegenwoordig zo laag dat die tegen de hogere loonkosten elders in het niet vallen. 

Vraag
4) Waarom zijn eindproducten duurder dan grond- of delfstoffen?
vorigestapvolgendestap