Van 1830 tot 1960 kende Nederland en met name Twente een bloeiende textielindustrie. Er werkten honderdduizenden fabrieksarbeiders. Na de Tweede Wereldoorlog waren er grote tekorten aan arbeiders die nodig waren voor de wederopbouw en stegen de lonen. 

Tegelijkertijd ontstond na de Tweede Wereldoorlog de wereldhandel, mede door de uitvinding van gestandaardiseerde containers met schepen die duizenden containers tegelijk konden vervoeren.

zeecontainers

De productie van textiel -en veel andere goederen- kon elders veel goedkoper, ondanks de bijkomende (nog steeds dalende) transportkosten. De textielproductie werd rond 1960 verplaatst naar Turkije en Noord-Afrika. Toen de loonkosten ook daar stegen, werd de productie verplaats naar Bangladesh en andere landen in Zuidoost-Azië. En ook nu dreigt Bangladesh alweer te duur te worden en komen er meer en meer textielgoederen uit Afrikaanse landen als Ethiopië, Kenia en Tanzanië. 

Omdat de loonkosten daar veel lager liggen spreken we van lagelonenlanden en spreken we ook van een race naar de bodem. Daar waar een arbeider in Bangladesh of Vietnam minder dan 1 dollar per uur verdient, verdient een Nederlandse arbeider (die het wettelijk vastgestelde minimumloon verdient) minimaal omgerekend zo'n 12-15 dollar per uur.

De lagere kosten komen niet alleen tot stand dankzij het lagere uurloon, maar ook door kinderarbeid en het ontbreken (of niet naleven) van doorbetaling bij ziekte of zwangerschap, van bescherming tegen het gebruik van gevaarlijke stoffen en gevaarlijke machines. 

Wereldwijd werken er naar schatting 75 miljoen mensen in de textielindustrie. Vaak doen ze dat onder slechte omstandigheden: geringe veiligheidsnormen, lage lonen, onbetaalde overuren, kortetermijncontracten, amper sociale zekerheid en zware fysieke en mentale druk (kritiek kan leiden tot ontslag, voor jou tien anderen). 

De onveiligheid in Bangladesh heeft de laatste jaren veel aandacht getrokken. In reactie daarop hebben de Nederlandse regering en tien maatschappelijke organisaties een convenant gesloten met een 'witte lijst' van zestig bedrijven die 'eerlijke kleding' verkopen.

Parveen Akhter heeft geluk gehad. De fabriek waar ze werkt, werkt voor een van de 60 bedrijven van de 'witte lijst'. Haar fabriek behoort tot de beste van het land. Hier wordt haar salaris elke maand op tijd betaald. Op officiële vakantiedagen mag ze gewoon doorwerken, zodat ze extra geld kan verdienen. En, heel belangrijk: 'De opzichters schelden niet.' Elke paar weken organiseert de fabriek een ontruimingsoefening. Na de ineenstorting van het Rana Plaza, een gebouw vol textielfabrieken even buiten Dhaka, waarbij eind april 2016 ruim 1.100 mensen omkwamen omdat de deuren op slot waren, is het hele gebouw nog eens opnieuw geïnspecteerd en gekeurd. Brandblussers en nooduitgangen zijn er te over. Parveen voelt zich veilig.

protesten bangladesh

Vraag 
7) Geef een reactie op de stelling: "De arbeider in Bangladesh is het kind van de rekening van het wereldwijde ongelijkheidsinkomen en de Nederlandse consument draagt daar aan bij."
vorigestapvolgendestap