Na de ontdekking van de Nieuwe Wereld vertrokken Europese kolonisten naar Amerika om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Grootgrondbezitters bouwden plantages op en verbouwden suiker, koffie en cacao in Zuid-Amerika, en tabak, indigo en katoen in Noord-Amerika. Arbeiders op de vroege plantages waren vaak Europese immigranten uit armere families, die in de Nieuwe Wereld op een betere toekomst hoopten. In Midden- en Zuid-Amerika lieten grondbezitters vooral de inheemse bewoners op de plantages werken. Het bleek echter dat de indiaanse bevolking kwetsbaar was voor Europese ziektes, zoals griep en pokken. Duizenden indianen overleden daar aan.

rietsuikerplantage

In Europa werd de vraag naar goederen uit Amerika steeds groter. De grootgrondbezitters kregen een steeds groter tekort aan arbeiders. De oplossing hiervoor zochten ze op het Afrikaanse continent.

Zeevaarders vertrokken vanuit Europa naar havens aan de kust van Afrika; hun schepen beladen met vuurwapens, ijzer, textiel, kraaltjes en buskruit. Deze goederen ruilden ze bij Afrikaanse en Arabische handelaren voor slaven in. De slaven kwamen vooral uit het binnenland en waren oorlogsgevangenen, doorverkochte huisslaven of criminelen. De handel was echter zo lucratief voor Europese en Afrikaanse handelaren dat steeds meer stammen en bendes op jacht gingen en mensen uit hun dorpen en families roofden om hen vervolgens als slaven te verkopen.
Het waren vooral Portugese schepen die slaven vanuit West-Afrikaanse kuststeden naar Amerika brachten. Maar ook Nederland was voor 10% van het slaventransport verantwoordelijk. De overtocht over de Atlantische Oceaan duurde ongeveer twee maanden. Eén op de tien slaven overleefde de oversteek niet. Na aankomst in de Nieuwe Wereld werden de slaven net als goederen verkocht op de markt. De meeste slaven kwam uiteindelijk terecht bij plantagebezitters. 


Slaven mochten vaak niet leren lezen of schrijven. Ze werden ingedeeld in strenge hiërarchieën om onderlinge samenwerking en mogelijke opstanden te voorkomen. Huisslaven hadden relatief gezien een hoge positie onder hun lotgenoten. Ook vakkundige arbeiders en kunstenaren werden nog wel gewaardeerd voor speciaal talent. Helemaal onder aan de hiërarchie stonden veldarbeiders die in oogstperiodes tot 20 uur per dag moesten werken.

Vraag
2a) Slavenhandel was onderdeel van de driehoekshandel. Geef in de tekening hieronder aan hoe die handel liep. Wat was de handel, wie verkocht of ruilde die handel en met wie werd die handel geruild of verkocht?
2b) Waarom was de driehoekshandel veel voordelig dan de gewone slavernijhandel tussen de werelddelen Afrika en Amerika?
 driehoekshandel leeg
vorigestapvolgendestap