In het Akkoord van Parijs zijn afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Alle landen zijn bezig met nationale plannen om de uitstoot van fabrieken, van het verkeer en van huizen te beperken. Daarbij is er één sector die 'vergeten' wordt: het gebruik van stookolie voor schepen en kerosine voor vliegtuigen. Stookolie en kerosine worden samen 'bunker' of 'bunkerbrandstof' genoemd.

kerosine

Vliegtuigen en zeeschepen kunnen heel goedkoop tanken omdat ze geen belasting hoeven te betalen over bunkerbrandstof. Dankzij de goedkope bunkerbrandstof kunnen we goedkope spullen uit containerschepen betrekken uit China en kunnen we goedkope vliegvakanties boeken.

In Nederland wordt meer bunkerbrandstof getankt voor internationaal vervoer over water (75%) en door de lucht (25%) dan voor alle auto's, vrachtauto's, bussen en treinen van Nederland bij elkaar. 

In alle klimaatverdragen, ook in het Akkoord van Parijs, wordt voor elk land de CO2-productie gemeten op wat het importeert of als olie, gas en kolen uit de grond haalt.

De CO2-productie van een vliegtuig vol kerosine wordt gezien als export. Maar onderweg naar de eindbestemming wordt alle kerosine opgebrand en hoeft het ontvangende land de CO2-productie niet mee te tellen. Zo wordt niemand verantwoordelijk gesteld voor de CO2 die vrijkomt uit bunkerbrandstof.

Vragen
4) Waarom tellen we niet gewoon de import- én export van de CO2-productie?
5) Waarom willen landen geen belasting heffen over bunkerbrandstof?
vorigestapvolgendestap