
INHOUDSOPGAVE Honger 1 De Tweede Wereldoorlog in Nederland 1 Trek, ondervoeding en honger 2 Wanneer is er sprake van hongersnood? 3
De hongerwinter 5 Distributie 5 Echte schaarste 6 Het vorderen van goederen 6 Spoorwegstaking en blokkade 7 Internationale hulpverlening komt maar moeilijk op gang 8
Dagelijks leven in de hongerwinter 10 Op hongertocht 10 Ruilhandel en zwarte handel 10 Hergebruik en het opwekken van elektriciteit 11 Het wordt stil op straat 13 Binnenlandse hulpverlening 14 ‘Winterhulp Nederland’ 14
Lotgevallen van Piet van Rossum 17 Januari-juni 1944: de oorlog komt dichterbij 17 Juni-september 1944: de afknapper van de uitgestelde bevrijding 18 September 1944–mei 1945: honger 18 Mei 1945: de vrijheid 20
Eindbalans van de hongerwinter 21 Oorlogstrauma’s 22 Had de honger voorkomen kunnen worden? 23 Herinnering voedt begrip voor mensen in nood 23
Aantekeningen 25 Meer op internet 27
Tekst: Herman Bosman, Harry de Ridder, Olav Jansen |
Fragment (Uit 'Dagelijks leven in de hongerwinter', blz. 13): Het wordt stil op straat Iedereen kan tegenwoordig zo vaak als nodig is naar een supermarkt of winkel gaan om eten, kleding en andere dingen voor dagelijks gebruik te kopen. De schappen zijn vooral ‘s morgens goed gevuld en worden bijgevuld als een artikel dreigt op te raken. Je zult maar zelden meemaken dat een artikel uitverkocht blijkt te zijn en dan nog is dat de volgende dag meestal weer voorhanden. Het is in onze tijd moeilijk voor te stellen dat tijdens de hongerwinter in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag de winkels vrijwel leeg zijn en dat sommige mensen dagenlang eropuit trekken om ergens in het oosten van het land voedsel te zoeken.
In het hongergebied brengen veel mensen iedere dag een groot deel van de dag door in de rij voor de gaarkeuken, wachtend op hun dagelijkse rantsoen soep van aardappelen of suikerbieten. Ook moet men regelmatig naar een distributiekantoor om nieuwe bonnen te halen. Even naar de buurtsuper gaan voor brood of melk, omdat die op is, is er niet bij.
Door de honger, het toenemende gebrek aan brandstoffen en het (gedeeltelijk) afsnijden van water en stroom moeten steeds meer fabrieken op halve kracht draaien of helemaal sluiten. Daar komt nog bij dat mannen tussen 16 en 45 jaar voortdurend de kans lopen om tijdens razzia’s te worden opgepakt om in het Duitse leger te vechten of om in een fabriek in Duitsland te werken. Wie dat niet wil riskeren, gaat de straat niet meer op. Ook al kan een bedrijf openblijven, dan nog is het de vraag of er wel voldoende personeel overblijft om de boel draaiende te houden. Begrafenisondernemers kunnen vaak iemand pas weken na diens dood begraven. Het grootste probleem wordt tenslotte de gezondheid. De meeste mensen zijn door ondervoeding, acute hongersnood en ziekten gewoon niet meer in staat om te werken. Ook onderwijs en (overheids)diensten kampen steeds meer met gebrek aan energie en personeel. Vuilnis wordt niet meer opgehaald, het stadsvervoer komt voor een groot deel stil te liggen. Treinen rijden er tussen 17 september 1944 en 5 mei 1945 helemáál niet. | |
|