Kinderrechten
VERDRAG INZAKE DE RECHTEN VAN HET KIND De tekst in Normaal Nederlands
Deel I
Artikel 1 Een kind is een menselijk wezen onder de achttien jaar.
Artikel 2 Discriminatie van kinderen is verboden.
Artikel 3 Maatregelen (zoals wetten en afspraken tussen ouders die gescheiden zijn) moeten uitgaan van wat het beste is voor kinderen.
Artikel 4 Een regering is verplicht om wetten te maken, die uitgaan van dit Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Artikel 5 Regeringen moeten respecteren dat ouders als eersten goed voor hun kinderen moeten zorgen.

Artikel 6 Ieder kind heeft recht op leven. Regeringen moeten ervoor zorgen dat kinderen zo goed mogelijk kunnen overleven en zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen.
Artikel 7 Een kind heeft recht op een naam en nationaliteit.
Artikel 8 Regeringen moeten erop toezien dat kinderen hun eigen identiteit (waaronder hun naam, nationaliteit en familierelaties) kunnen behouden.
Artikel 9 Een kind heeft recht om bij beide ouders te wonen. Als de ouders gescheiden zijn, heeft het kind recht om met beide ouders om te gaan zoals het zelf wil.
Artikel 10 Ook als de ouders in verschillende landen wonen, hebben kinderen het recht om met beide ouders om te gaan. Zij hebben dan het recht om zonder enige hinder tussen beide landen heen en weer te reizen.
Artikel 11 Regeringen moeten er echter ook op toezien dat kinderen niet gedwongen worden te reizen als ze dat niet willen in of dat ze niet meer terug mogen komen naar het land waar ze woonden voor ze op reis gingen.
Artikel 12 Wanneer er maatregelen worden gemaakt die met kinderen te maken hebben (zoals afspraken tussen gescheiden ouders), moet aan kinderen gevraagd worden wat zij er zelf van vinden.
Artikel 13 Een kind heeft recht om te zeggen wat het wil. Ieder kind heeft recht om informatie te zoeken waar het wil (via radio, televisie, kranten uit binnen- of buitenland).
Artikel 14 Een kind heeft recht op het kiezen van zijn eigen godsdienst. Een kind heeft het recht om te denken wat het wilt.
Artikel 15 Een kind heeft het recht om zich bij een vereniging aan te sluiten en te vergaderen.
Artikel 16 Regeringen mogen zich niet zomaar met de privacy, familie of gezin van een kind bemoeien. Ook met de correspondentie van kinderen (bijvoorbeeld brieven) mogen ze zich niet zomaar bezighouden.
Artikel 17 Een kind heeft recht op het lezen van boeken, op het luisteren naar programma's op de radio, op het kijken naar de televisie. Er moeten programma's voor kinderen zijn die aansluiten bij hun leeftijd en hun herkomst (godsdienst, cultuur e.d.).
Artikel 18 Ouders moeten hun kinderen goed opvoeden. De regering moet erop letten dat ouders kinderen niet mishandelen.
Artikel 19 Regeringen moeten ervoor zorgen dat kinderen beschermd worden tegen lichamelijk of geestelijk geweld, verwaarlozing, verwondingen of (seksueel) misbruik.
Artikel 20 Kinderen die tijdelijk of voor altijd niet meer bij hun familie kunnen wonen (bijvoorbeeld omdat ze geen ouders meer hebben), hebben recht op speciale bescherming en hulp.
Artikel 21 Kinderen hebben recht op adoptie als dat voor hen het beste is.
Artikel 22 Kinderen die vluchteling zijn, hebben recht op speciale bescherming.

Artikel 23 Kinderen die een handicap hebben, hebben recht op speciale hulp waardoor ze zoveel mogelijk een normaal leven kunnen leiden.
Artikel 24 Alle kinderen hebben recht op hulp wanneer ze ziek zijn.
Artikel 25 Kinderen die verzorgd worden (bijvoorbeeld in een ziekenhuis) hebben er recht op dat van tijd tot tijd wordt bekeken of de behandeling die ze krijgen wel de beste behandeling voor hen is.
Artikel 26 Een kind heeft recht om te profiteren van de goede omstandigheden in zijn land (werk, cultuur, sociale zorg).
Artikel 27 Een kind heeft recht op een manier van leven waardoor het normaal kan groeien en zich kan ontwikkelen.
Artikel 28 Een kind heeft recht op (gratis) onderwijs.
Artikel 29 Onderwijs aan kinderen moet ervoor zorgen dat ze een eigen persoonlijkheid kunnen ontwikkelen en dat ze hun talenten kunnen ontplooien.
Artikel 30 Kinderen van 'etnische minderheden' (bijvoorbeeld buitenlandse werknemers in Nederland, indianen) hebben recht om gebruik te maken van de eigen cultuur, godsdienst en taal.
Artikel 31 Een kind heeft recht op vrije tijd. Een kind heeft recht om te spelen en deel te nemen aan activiteiten die bestemd zijn voor kinderen.
Artikel 32 Kinderarbeid is verboden.
Artikel 33 Kinderen moeten worden beschermd tegen drugsmisbruik.
Artikel 34 Kinderen moeten beschermd worden tegen seksueel misbruik (ze mogen geen prostituee zijn; het is verboden kinderen mee te laten doen aan pornografie).
Artikel 35 Het is verboden kinderen te ontvoeren, verkopen of verhandelen.
Artikel 36 Regeringen zullen kinderen ook beschermen tegen iedere andere vorm van uitbuiting of mishandeling.
Artikel 37 Als kinderen gearresteerd worden, hebben ze recht op een goede behandeling. Ze mogen niet gemarteld worden. Ze mogen niet de doodstraf krijgen of levenslang worden opgesloten.
Artikel 38 Kinderen moeten beschermd worden tegen oorlogsgeweld. Kinderen jonger dan vijftien jaar mogen niet in militaire dienst.

Artikel 39 Voor kinderen die slachtoffer zijn van geweld wordt al het mogelijke gedaan om ze er weer boven op te helpen.
Artikel 40 Kinderen die een misdaad begaan hebben, hebben recht op een eerlijk proces. Ze hebben recht op de hulp van een advocaat en mogen niet tot een schuldbekentenis gedwongen worden.
Artikel 41 Wanneer door bestaande wetten of verdragen kinderen het beter hebben dan ze het zouden krijgen met dit Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dan gaan díe wetten en verdragen voor. Dat wil zeggen dat regeringen met dit verdrag kinderen niet mogen benadelen.
Deel II; (over de naleving van het verdrag)
Artikel 42 Regeringen verplichten zich om ouders en kinderen te attenderen op de rechten uit dit verdrag.
Artikel 43 Er wordt een Comité voor de Rechten van het Kind opgericht. De tien leden van het Comité zijn deskundigen die gekozen worden.
Artikel 44 Twee jaar na invoering en vervolgens om de vijf jaar bekijkt het Comité of landen de verplichtingen nakomen, die ze op zich nemen door dit verdrag te ondertekenen.
Artikel 45 Deskundige organisaties (bijvoorbeeld Unicef) hebben recht om zich tot het Comité te wenden.
Deel III; (over de invoering van het verdrag)
Artikel 46 Het verdrag kan door alle landen ondertekend worden.
Artikel 47 Het verdrag dient door regeringen te worden geratificeerd (dat wil zeggen: goedgekeurd door de meerderheid van de politieke partijen van een land).
Artikel 48 Landen kunnen ook op later tijdstip nog toetreden tot de ondertekenaars van dit verdrag.
Artikel 49 Dit verdrag treedt in werking als twintig landen het hebben ondertekend.
Artikel 50 Ieder land heeft het recht om veranderingen en aanvullingen op dit verdrag voor te stellen. Deze veranderingen en aanvullingen krijgen geldigheid wanneer de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met tweederde meerderheid ermee eens is.
Artikel 51 Wanneer landen een voorbehoud maken op het verdrag zal de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties dit bekend maken aan andere landen. Een voorbehoud dat indruist tegen de geest en het doel van het verdrag zal niet worden geaccepteerd.
Artikel 52 Een regering kan dit verdrag schriftelijk opzeggen. Het verdrag blijft dan voor dat land nog één jaar geldig.
Artikel 53 De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zal dit verdrag bewaren.
Artikel 54 De Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse teksten van dit verdrag liggen ter inzage bij de Secretaris-Generaal.
Vertaling: Harry de Ridder
|